Op 15 februari 2009 is, vijf jaar na Smeltwater, de nieuwe bundel van Cilja Zuyderwyk en Jan Doornbos verschenen bij hun eigen uitgeverij De Smederij te Leerdam. De titels van de dubbelbundel zijn Een duiventil te paard (Cilja, 42 gedichten) en Mijten in een hemelbed (Jan, 40 gedichten). De bundel is verkrijgbaar bij de dichters zelf via het mailformulier op deze site en is te bestellen in iedere boekhandel (het ISBN-nummer is 978-90-813836-1-5).
Lees hier een recensie over deze bundel in Meander Magazine.
Frank Decerf schreef in het tijdschrift Dighter onder meer het volgende over deze bundel:
‘De taal die Doornbos gebruikt is vloeiend, muzikaal, boeiend.’
‘Sublieme contrasten dragen bij tot de waarde van wat Cilja Zuyderwyk hier creëert.’
‘… de kennismaking met en de ontdekking van het werk van Doornbos en Zuyderwyk waren een verrijking.’
Twee gedichten uit de dubbelbundel:
Kruissteken
Ik vertelde je over een liefde. Je zei:
“Was het maar nooit zover gekomenâ€.
Ik hield mijn hart vast, zoals altijd.
Je bidt nog voor het eten. Wat sla je weg,
de vliegen op je uitgekauwde ziel? Ik buig,
er bekruipt mij een gevoel van woedeloos
heid. Het is winter vandaag, ik weet het.
Een voor een kruipen de beesten binnen.
Ik lik je kruimels op, schenk thee.
Buitenbeestjes, noem je ze, verdwaald
in jouw gekrompen wereld. Wederom
lijkt ademhalen de remedie. Had ik een
god, wat zou het makkelijk zijn.
(Cilja Zuyderwyk)
De uittocht
We gingen naar de velden, naar de eindeloze velden.
De aangebroken dag was nauwelijks te overzien.
We hadden thuis beloofd dat het niet te laat zou worden,
maar hoe konden we dat zeggen? We hadden het gezien,
ze wachtten in de verte: pas ontpopte, rauwe meiden.
Ze lustten onze liefde en ze vraten met hun kutten.
We bouwden jagershutten en we lokten ze naar binnen,
prikten er hun dromen door en smeten ze naar buiten.
We zwalkten door de velden, door de laaiend hete velden.
We hadden altijd dorst en we dronken ons onschuldig.
We jankten en we dronken tot we alles weer vergaten
en sloegen door en dronken tot bedriegen niet meer ging.
We waren heer en meester op de eindeloze vlakte,
verveelden onze zinnen zot en onze geesten scherp.
Toch merkten we pas later dat we veel van ons verloren.
We kropen weg in huizen, gingen onderweg kapot.
We gingen naar de velden, naar de eindeloze velden.
We lieten deuren open staan, verlieten snel het huis.
We zeiden onze ouders dat het niet te laat zou worden.
Achteraf was dat een leugen. We kwamen nooit meer thuis.
(Jan Doornbos)